Biotopen

De Oost-Afrikaanse slenk

Door: Willem L. Postma

Een slenk is een gebied dat structureel gezien lager ligt dan het omringende gebied en dat begrensd wordt door breuken. De oost-Afrikaanse slenk is een groot merengebied met onder andere het Victoriameer, het Tanganyikameer en het Malawimeer. Het gaat om enorme watermassa’s. Het Victoriameer beslaat meer dan 50.000 vierkante kilometer, met een diepte van ongeveer 80 meter. Het Tanganyikameer heeft een lengte van meer dan 700 kilometer, een grootste breedte van 125 kilometer en een diepte van ongeveer 1400 meter, wat zelfs 2000 meter is geweest. De meren zijn verbonden via rivieren, delta’s en moerassen. Verbindingen met de oceanen zijn er maar weinig. Door het schuiven van continentale formatie en lava-erupties, die leidden tot het Tanzaniaans gebergte, heeft er een afsluiting van waterwegen plaatsgevonden die de directe uitstroming vertraagde of zelfs onmogelijk maakte. De vorming van al deze meren is geografisch vrij nauwkeurig te bepalen. Men mag zelfs spreken van een biologische speeltuin voor wetenschappers. Het Victoriameermeer wordt in leeftijd geschat op ongeveer 400.000 jaar.

Een jonge groep vissen, de Cichliden, heeft zich hier geweldig ontwikkeld. De meeste zijn endemisch voor één meer. Endemisch betekent alleen daar voorkomend. Dit geldt voor Cichliden, niet voor bijvoorbeeld Longvissen van het geslacht Clarius. De weg van het ene meer naar het andere meer vormt een obstakel die Cichliden niet kunnen nemen. In de waterverbindingen groeien geweldige grote plantenpartijen, grotendeels gevormd door Papyrusplanten. Deze plant heeft een negatieve assimilatie. Het is in grote lijnen zo dat planten als voedsel koolzuur (CO²) nodig hebben. Onder invloed van zonlicht wordt dit omgezet in zuurstof (O²), fotosynthese = positieve assimilatie. Simpeler kan ik het niet zeggen. Het gevaar bij zo een simpele verklaring is dat je niet volledig bent, maar om te begrijpen wat negatieve assimilatie is, kan ik er misschien mee volstaan. De Papyrusplant gebruikt als voedsel zuurstof en geeft koolzuur terug: negatieve assimilatie. Dit betekend dat reislustige Cichliden, of Cichliden in nood, er niet weg kunnen. Er is een zuurstofarm gebied. Hier komen geen vissen met kieuwdekselademhaling voor, wel de zogenaamde Longvissen, die hebben een mogelijkheid om zuurstof tot zich te nemen anders dan via de kieuwdeksels. Zij zijn dan ook in de totale Afrikaanse slenk gelijk ontwikkeld. Dit gebied biedt een geweldige mogelijkheid voor onderzoek door wetenschappers, uniek in onze wereld. Wij Nederlanders blazen in deze een goede partij mee. Met name de onderzoeken vanuit Leiden, met dr.Witte en drs. Barel in het Victoriameer zijn van groot belang. Toen Nederland een samenwerking ontwikkelingshulpprogramma met Tanzania had, hebben medewerkers van Witte en Barel de mogelijkheid nog gehad om onderzoek te doen in het Victoriameer. Achterop een vissersboot werden in snel tempo de vissen oppervlakkig gedetermineerd. Ongelofelijk was de rijkdom aan soorten die toen werd ontdekt. Het aantal soorten liep in korte tijd op tot boven de duizend.

  

Deze variatie geldt zeker ook voor de overige meren. De Bwuna’s hadden zich in ongelofelijk veel verschillende soorten ontwikkeld. Helaas heeft de Nijlbaars aan dit onderzoek een abrupt einde gemaakt. Toen ik in 1992 een bezoek bracht aan de faculteit van dhr.Witte, samen met dhr. Baris van A.V.Voorne, zagen wij fossiele vissen die in het wild totaal waren uitgestorven. Nauwelijks 3 jaar daarvoor leefden ze nog met duizenden in dit meer. De angst dat andere meren hetzelfde lot ondergaan is zeer reëel. In het Rudolfmeer zijn al sporen ontdekt van de nijlbaars, waarschijnlijk illegaal uitgezet door mensen. De beheerders en regeringsleiders vrezen het ergste. De gevolgen van de Nijlbaars zijn dan ook een regelrechte ramp. Voor de bevolking, maar ook op natuurgebied. Een totale populatie vissen is in een korte periode van ongeveer 25 jaar verdwenen. De soortenrijkdom en de geweldige hoeveelheid aan vissen die aan een groep Meerbewoners voedsel verschafte zijn nagenoeg verdwenen. De vissers die 30 jaar geleden moeite hadden om hun netten aan boord te trekken, vangen nu ongeveer 4 vissen per dag. Om toch hiervan te kunnen leven worden die grote vissen verkocht aan fileerfabrieken die deze vissen exporteren naar Japan en Australië, waar ze veel geld opleveren. Geld dat voornamelijk in de handel blijft en waar de plaatselijke bevolking weinig aan heeft.



De verwachting is dat als de Nijlbaars, die net zo opgesloten zit in het Victoriameer als de Cichliden, naar het Tanganyikameer komt ze daar eenzelfde slachting zal aanrichten. Men is iets positiever omdat daar, door de rotswanden aan de oostelijke kant van het meer, waarschijnlijk iets meer soorten Cichliden blijven bestaan. Maar de situatie is geweldig gevaarlijk. Samen met de houtkap aan de oever, waardoor er een enorme vervuiling door erosie en aarde plaats vindt, is de ramp door de Nijlbaars niet te overzien. Mogelijk dat er in afgesloten ruimte, afgesloten door Papyrus planten, van meren en wateren nog Cichliden leven die misschien kunnen worden uitgezet als de Nijlbaars zich uiteindelijk heeft opgegeten. Tot dan is de situatie gevaarlijk en de toekomst onzeker. Onze natuurlijke schatkamer van dit gebied is direct in gevaar. Mensen als Ad Konings, met hun werk in dit gebied en publicaties hier over, zijn van onschatbare waarde. Voordat de mensen eindelijk hun aarde verantwoord kunnen beheren (leren om zich niet met de natuur te bemoeien), zullen we nog vele tragedies meemaken vrees ik. Wel cynisch is het dat de plant die als een gevangenis bewaker dieren tegenhield om van gebied naar gebied te gaan, nu de enige reële kans biedt op een herstel van de Afrikaanse slenk.