Positieflijsten en dierenwelzijn

Door: ir. Ed. J. Gubbels, Secretaris Stichting Platform Verantwoord Huisdierenbezit (SPVH)

Wat de meesten van ons niet weten is dat o.a. het houden van aquarium- en terrariumdieren dreigt aan banden te worden gelegd door de regering. Als hier niets tegen gedaan wordt, kan dit de nekslag van onze hobby betekenen.

De NBAT heeft, samen met diverse andere organisaties die actief zijn op aquarium-, terrarium- en vijvergebied, zitting in de Samenwerkende Aquarium- en Terrarium Organisaties (SATO). Deze organisatie maakt weer deel uit van Stichting Platform Verantwoord Huisdierenbezit (SPVH), waar ook diverse andere belangenorganisaties bij zijn aangesloten op het gebied van honden, katten, vogels en kleine zoogdieren. Doel is de belangen van de huisdierbezitters te behartigen en de politiek op andere gedachten te brengen.

Onderstaand een artikel van de secretaris van de SPVH dat wij u niet willen onthouden en in zijn geheel in 1 keer publiceren.

De historie
Al tientallen jaren wordt in Nederland gesproken over de instelling van positief– en negatieflijsten. Dat zijn lijsten van diersoorten die “alleen maar” mogen worden gehouden. De discussie daarover kreeg in 1992 vaste vorm met de komst van de gezondheid– en welzijnswet Dieren (GWWD).

In artikel 33 van de wet werd vastgesteld dat het verboden is dieren te houden, tenzij ze behoren tot bij algemene maatregelen van bestuur aangewezen soorten of categorieën. Deze bepaling werd overgenomen in artikel 2.2 van de nieuwe wet dieren die sinds 1 januari 2013 van kracht is. Het artikel 33 van de GWWD kwam nooit in werking.

Het was wél het startpunt voor een overleg van alle maatschappelijke partijen onder leiding van de raad voor dierenaangelegenheden. (RDA). Dit overleg mondde uit in breed-gedragen positief– en negatieflijsten. Niet iedereen was met alles even gelukkig, maar de partijen hadden elkaar gevonden, deels op basis van wetenschappelijke en dierhouderij-technische argumenten, deels in compromis. De lijsten konden worden ingevoerd. Dat gebeurde niet; de minister liet het afweten.

Het Andibel-arrest (C-219/07)
In juni 2008 deed het Europese Hof uitspraak over de rechtmatigheid van de positieflijst voor zoogdieren die de Belgische regering had ingevoerd.

Het hof sprak zich duidelijk uit over de motieven, die de plaatsing van soorten op de ene of andere lijst rechtvaardigen en formuleerde spelregels voor de overheid voor het opstellen van deze lijsten.

Het hof noemde als motieven;
punt 27 het welzijn belang van het dier.
punt 28 het gevaar voor de gezondheid en leven van personen en dieren.
punt 29 het gevaar voor inheemse flora en fauna.

Uit de spelregels die daarna worden gegeven blijkt dat de aanwijzing van soorten voor een positief– of negatieflijst niet “zomaar” op basis van politieke keuze kan plaatsvinden.

Het hof laat weten;
punt 34 dat de opstelling en latere wijzigingen van de nationale lijsten van de diersoorten moet berusten op criteria die objectief procedure moet zijn. punt 35 dat er een toegankelijke procedure voor belanghebbenden moet zijn, die diersoorten aan de positieflijst willen laten toevoegen. De overheid moet binnen een redelijke termijn hier toe besluiten. Eventuele weigeringen moeten worden gemotiveerd en er dient een procedure te zijn om tegen de uitspraak beroep aan te kunnen tekenen. punt 36 dat de overheid kan een verzoek (tot plaatsing op de positieflijst of om een uitzonderingsvergunning voor een individuele houder) slechts afwijzen indien het houden van dieren van de gewenste soort een reële bedreiging vormt voor de bescherming van de drie hier bovengenoemde belangen. Elke afwijzing moet gemotiveerd zijn. punt 37 dat plaatsing op de lijst slechts kan worden afgewezen op grond van een uitgebreid en gedegen onderzoek naar het gevaar van het houden van de soorten voor de bescherming van de drie bovengenoemde belangen.

Het Andibel–arrest gaat eigenlijk over handelsbelemmeringen die de landen binnen Europese Vrijhandelsverdrag wél of niet mogen instellen. Een positieflijst is zo´n handelsbelemmering (voor alle niet opgenomen soorten). Het hof geeft in haar eindconclusie aan dat de weigering tot plaatsing van een soort op de positieflijst alleen maar rechtvaardig is “indien de bescherming of eerbiediging van de belangen en de vereisten vermeld in de punten 27 tot en met 29 van het onderhavige arrest niet even doeltreffend kan worden gewaarborgd door maatregelen die het intra communautaire handelsverkeer minder beperken.”

Dat is een belangrijke voorwaarde. Met een systeem van bindende dierhouderij voorschriften zou het vereiste in punt 27 van het Andibel-arrest (welzijn) doeltreffend worden gewaarborgd. Die voorschriften zouden “bindend” moeten worden verklaard aan iedereen die de soort wenst te houden. Ze zouden tevens de toetsingsnorm kunnen zijn voor de handhavers. De punten 28 en 29 vragen een separate afweging. Soorten die om de daar genoemde redenen niet zouden moeten worden gehouden, zouden op een negatieflijst moeten worden geplaatst.

Het maatschappelijk denken
In onze maatschappij vinden we het hele scala van opvattingen over dierhouderij. We zien aan de ene kant van het spectrum de genadeloze dier-exploitanten, die geheel vrij zijn van elke compassie met het dier en aan de andere kant de anti-dierhouderij-activisten, die elke vorm van dierhouderij zien als chronische kwelling van het dier. De meerderheid van de Nederlandse bevolking ziet het houden van dieren als een ”geaccepteerd” verschijnsel. Meer dan de helft van hen beleeft de toegevoegde waarde van het houden van huisdieren. In de pers en bij delen van de bevolking (ook bij de politiek) wordt het anders beleefd. Daar zet de anti-dierhouderij-lobby de toon en wordt elk incident waarbij het ´niet goed´ ging breed uitgemeten als één van de vele voorbeelden van de chronische dierkwelling die dierhouderij heet. De mensen die dit propageren idealiseren ´het leven in de natuur´. Ze ontlenen hun oprechte en diepe overtuiging en emoties waarschijnlijk aan de wereld van Walt Disney met zijn vrolijk dartelend Bambi in de natuur. De biologische feiten en de bevindingen in de praktijk van de dierhouderij laten een wat andere werkelijkheid zien. De meerderheid in de tweede kamer liet zich in die anti-dierhouderij-opvattingen meeslepen. Bij velen heeft daar de overtuiging post gevat. Dat er eigenlijk een verbod zou moeten komen op het houden van zoveel mogelijk soorten c.q. dat er zo´n kort mogelijke positieflijst zou moeten komen. De tweede kamer mag daar natuurlijk een mening over hebben maar zoals we hierboven al aangaven, het Europese recht is bepalend voor de positieflijst.

Intrinsieke waarde en integriteit
In de maatschappelijke discussie over dierenwelzijn werden in de achterliggende decennia, bij gebrek aan nuchtere en aantoonbare argumenten, wat nieuwe begrippen ingebracht.: de intrinsieke waarde van het dier en de integriteit van het dier. Het gaat daarbij niet zozeer om wat de dieren aan hun leven beleven, maar om wat mensen vinden dat aan het dier “toebehoort”.

Zo vindt bijvoorbeeld een politieke meerderheid dat je dieren niet zou mogen couperen of kortwieken: dat zou een aantasting zijn van ”de heelheid”´ van het dier. Maar ja; we castreren er wel lustig op los zodra dat ons van pas komt en om de teruggeplaatste straatkatten die al ´aan de beurt´ zijn geweest een beetje gemakkelijk te herkennen, knippen we die een stukje van een oor af. Het is niet helemaal duidelijk of daarmee niet toch een stukje van hun integriteit of van hun intrinsieke waarde wordt weg gecastreerd en afgeknipt.

De staatssecretaris legde ons onlangs nog uit dat je door de leewieken (bij loop– zwemvogels) het dier niets ontneemt ”dat het dier het liefste doet”. Het zet aan tot enig overpeinzing dat zij dit argument nog steeds niet heeft opgevoerd waar het om castratie gaat. We komen die begrippen ook tegen in een gesprek over de noodzaak tot het opstellen van positieflijsten. Op alle punten waar de discussie staakt, waar de inhoudelijke argumenten tekort schieten, roept altijd wel weer iemand iets over de intrinsieke waarde en de integriteit van het dier, waar de anderen zeer begrijpend en instemmend knikken. En dat is heel bijzonder, de meeste mensen geven toe het echt niet te begrijpen en de dierbelangen boven mensenopvattingen te willen stellen.

We leven kennelijk in een wereld waarin niet meer het belang van het (gehouden) dier bepalend is, waarin alleen nog op de gewenste uitkomst toegesneden ethiek de dienst uitmaakt.

Overijverige ambtenaren en gedienstige wetenschappers
Na het Andibel-arrest leek iedereen er over eens te zijn, dat de opstelling van de positieflijst om praktische redenen een onhaalbare zaak was geworden. De wettelijke vereiste inspanningen voor de beoordeling voor al die soorten werden te omvangrijk en te kostbaar. Desondanks kwam het ministerie in juni 2011 alsnog met een methode voor het vaststellen van de positieflijst. Het ministerie had aan onderzoekers van de WUR (Wageningen University & Research centre) de opdracht gegeven om de wetenschappelijke onderbouwing aan te leveren voor de opstelling van de positieflijst met als criterium ´gedrag in de natuur´. Soorten die hun ´gedrag in de natuur´ in de dierhouderij-situatie niet kunnen uiten, hebben dus onvoldoende welzijn en mogen niet op de positieflijst. Een nogal misplaatste poging tot voortvarendheid dit uitgangspunt is strijdig met de letter en de geest van het Andibel-arrest. Punt 27 van het arrest gaat over het welzijn van het gehouden dier, ongeacht wat dat dier ergens in de natuur wel of niet doet.

Het is niet ondenkbaar dat de opdracht gevende ambtenaar zich wat al te zeer lieten meenemen door hun persoonlijke opvatting over de dierhouderij. Dat neemt niet weg, de WUR-onderzoekers leveren maatwerk aan hun opdrachtgevers. Ze schaamden zich niet om gepubliceerde gedragsuitingen in een willekeurige natuurlijke omgeving tot gedragsbehoeften te verklaren en introduceerde een “religieus” verschijnsel waarbij er ook nog een gebrek aan welzijn zou ontstaan dat niet waarneembaar is in de vorm van fysiek, geestelijk of sociaal lijden van het gehouden dier. Daarbij gingen ze er gemakshalve van uit dat er in de dierhouderij (in een beschermde omgeving) geen welzijnsvoordelen zijn ten opzichten van het leven in de natuur. Ze lieten geen argument onbenut om door hun opdrachtgever gewenste uitkomst te voorzien van een wetensschappelijk aandoend sausje. Ze leverden een rapport dat de opdrachtgever in de gelegenheid moet stellen te beweren dat er “wetenschappelijk verantwoorde” besluiten worden genomen bij het vaststellen van een uiterst beperkte positieflijst.

Inspraak van de sector
Telkens als de overheid een besluit neemt, kan de burger (of belangenorganisatie) die het daarmee oneens is, naar de bestuursrechter stappen en daar een oordeel vragen. De eerste vraag die de bestuursrechter stelt, is of de belanghebbende partijen werden “gehoord”. Nadat de onderzoekers van de WUR in juni 2009 met de opdracht aan de gang gingen en in mei 2010 hun rapport afleverde, mochten de partijen in de sector in juni 2011 hun bedenkingen inbrengen. De onderzoekers hoorden die bedenkingen aan, glimlachten minzaam en gaven geen krimp. Ze hulden zich, even als het ministerie, in stilzwijgen. Ja, er werd gehoord. En nee’ er werd niet geluisterd. De argumenten die de sector inbracht werden aangehoord, er vond geen enkele inhoudelijke gedachtewisseling plaats. De strijdigheid met het gestelde in het Andibel-arrest werd ontkend. Het ministerie liet weten dat het geen reden had om aan de wetenschap te twijfelen en de wetenschappers van de WUR gaven te kennen dat ze er ook niets aan kunnen doen, dat was nu eenmaal de opdracht van het ministerie. De sector werd van het kastje naar de muur gestuurd. Kortom, er blijft waarschijnlijk geen andere route dan de gang naar de bestuursrechter en desnoods naar het Europese hof.

Welzijnsbelang
Het belangrijkste argument in de strijd tegen het houden van “bijzondere soorten” was altijd dat ze “te veeleisend” zouden zijn voor de houders en dat ze daardoor in hun welzijn tekort zouden worden gedaan.

Uit de gegevens van de opsporingsinstantie blijkt daar niets van. In nagenoeg alle gevallen waarin de opsporingsinstantie betrokken wordt gaat het om verwaarlozing. Bovendien gaat het vrijwel uitsluitend om dieren van de aai en knuffelsoorten, de diersoorten die straks gewoon mogen worden gehouden. (honden, katten, konijnen) Welzijnsgebrek als gevolg van kennis (onkunde) werd nauwelijks of niet vastgesteld.

Er dreigt een ander groter gevaar. Het mereldeel van de te verbieden soorten wordt in huis of in de achtertuin gehouden. Nadat de positieflijsten van kracht worden zal er bij de open EU grenzen, een indrukwekkend illegaal circuit ontstaan. De overheid krijgt hier geen grip op zonder een aanzienlijke uitbreiding van inspanningen in de handhaving. Het is een goede gewoonte in de politiek om, zodra de politieke discussie over een heikel thema loopt, ferm en moedig in te zetten op extra handhaving en om die inspanning daarna, bij een volgend hot item, weer weg te bezuinigen. Zo ging dat met de dierenpolitie en wordt hier ook niet anders. Dat hoeft in dit proces niet persé verkeerd te zijn. Immers naar maten de handhavingsdruk groter is, blijft er minder ruimte om aan de welzijnseisen van de gehouden dieren te voldoen en verdwijnen er meer dieren uit de achtertuinen. Het wordt dan meer behelpen in achteraf-schuurtjes en in souterrains.

Strikt genomen is het niet zo belangrijk, in hoeverre de overheid grip krijgt op de ontwikkeling. Wat wel van belang en erg zorgelijk is, is dat organisaties in de sector het contact verliezen met deze toekomstige illegale dierhouders. Daarmee stopt de gedachtewisseling met deze groep van dierhouderij-omstandigheden en gaat ook een belangrijk deel van het onderlinge vakinhoudelijk overleg tussen deze mensen verloren.

Captive conservation
Een punt waaraan volledig wordt voorbijgegaan is dat er nogal wat diersoorten in hun natuurlijke habitat met uitsterven worden bedreigd. De bedreiging is het gevolg van onze economische vooruitgang, die gepaard gaat met een voortschrijdende biotoopverwoesting in grote delen van de wereld. Veel van die bedreigde soorten worden door gespecialiseerde liefhebbers in de dierhouderij in stand gehouden. De genenpools die zij beheren kunnen straks, bij een eventueel biotoopherstel, het verschil maken tussen uitsterven of behouden. Er lopen intussen voor een reeks van soorten initiatieven waarbij genenpools beheerd worden via stamboeken.

Er zijn ook al voor een aantal soorten op bescheiden schaal her-introductieprogramma ´s in gang gezet.

De kennis en kunde die in de loop der jaren door de particuliere houders werd opgebouwd, is essentieel voor het behoud van de soorten. De officiële programma´s die op dit vlak bij dierentuinen en wildparken lopen, schieten in dit opzicht vergaand tekort. Het ontbreekt hen aan de middelen en de ruimte om dergelijke captive conservation programma's op te zetten voor alle soorten. Daarbij moet een aanzienlijk deel van hun inkomsten worden binnengehaald met publiekstrekkers. En er zijn nogal wat soorten die daar wat minder geschikt voor zijn.

Dankzij de (intussen groeiende) samenwerking tussen de bedrijfsmatige en de particuliere dierhouders, kan extra capaciteit beschikbaar worden gemaakt voor het behoud van voldoend grote genenpools als back-up voor de kwijnende natuurlijke populaties.

Samenvattend
Op grond van de voortgaande overwegingen moeten we met grote teleurstelling het navolgende vaststellen.

Er wordt uitgegaan van een niet eerlijk beeld van de dierhouderij van bijzondere soorten. De ambtenaren hebben geen enkele belangstelling voor de overwegingen van de sector De WUR levert een methode aan, die wetenschappelijk zeer aanvechtbaar is. Zowel het uitgangspunt als de methode zijn strijdig met het Andibel-arrest.

Deze aanpak is schadelijk voor de inspanning tot behoud voor vele honderden soorten. De aanpak draagt niet bij aan verbetering van dierenwelzijn, integendeel (illegaliteit). Daarmee is er geen enkele draagvlak in de sector voor het lopende proces en de doelstellingen die de overheid nastreeft.

De organisaties in de sector voorzien een rampzalige ontwikkeling waarbij het huidige werken aan dierenwelzijn, wordt vervangen door een slepend onoplosbaar maatschappelijk conflict.

Een op de levensovertuiging van enkelen gebaseerd dierhouderijverbod doet aan grote groepen in de samenleving en aan dieren welzijn tekort.