Amfibieën (kikkers, padden en salamanders)

Bron: Maandblad van Aquavo, Purmerend

Amfibieën leven zowel op het land als in het water. Tot deze orde behoren de volgende diergroepen: salamanders, kikkers en padden. In de stadstuinen in het westen van het land zijn het in principe alleen de kleine watersalamander, de gewone pad, de bruine en de groene kikker die van nature de tuin aandoen.

Menig tuinliefhebber is onbekend met het verschil tussen de beide genoemde kikkersoorten. De kleur is niet bepalend. Ook bruine kikkers kunnen namelijk overwegend groen zijn. Maar anders dan de bruine, hebben de groene kikkers een spitse snuit, kwaakblazen achter de ogen en hun geluid is het bekende en luide gekwaak. De bruine kikker heeft een rondere bek, geen kwaakblazen en hij maakt een zacht geluid (prrr, prrr). Ook de gewone pad kan zijn aanwezigheid door zijn geluid verklappen. Hij maakt zachte, relatief hoge geluidjes. Amfibieën eten vooral insecten (zowel kruipende, zwemmende als vliegende) en de gewone pad eet daarnaast veel naaktslakken.

Amfibieën zijn koudbloedige dieren. Dat wil zeggen dat de leefomgeving hun lichaamstemperatuur bepaald. De wintermaanden brengen ze dan ook verstijfd en in volledige rust door (winterslaap). De kleine watersalamander en de gewone pad doen dat op het land en de beide kikkersoorten vrijwel altijd in de modderige bodem van de vijver (de bruine kikker soms ook op het land; bijvoorbeeld in ondiepe waterputten).

Het eerst ontwaken de padden. Is de winter heel zacht, dan kan dat zelfs al in februari zijn. Zij trekken dan naar het water om daar eitjes af te zetten. De grotere vrouwtjes worden bij die trek vaak al omklemd door een mannetje. Ze hebben niet alleen een vast territorium op het land, maar trekken ook elk jaar weer naar hun eigen waterpartij. Vanaf begin maart worden de eieren afgezet. In maart worden de bruine kikkers actief, die tegen het einde van die maand voor nageslacht gaan zorgen. De groene kikker doet dat een maand later en rond die tijd legt ook de kleine watersalamander haar eitjes. Net als bij de padden, omklemmen de kikkermannetjes in de voortplantingstijd de grotere vrouwtjes vaak langdurig. De bevruchting van de eitjes vindt bij de kikkers en de padden plaats buiten het lichaam bij het leggen. Door de omklemming missen de heren nooit hun kans. Ziet men een mannetje in de vijver die nog geen partner heeft kunnen omklemmen, dan kan men door voorzichtig met de vingers het wateroppervlak te beroeren hem in de verleiding brengen de vingers te omklemmen. Een grappig verschijnsel.

De gewone pad legt haar eieren in snoeren tussen de waterplanten, de kikkers produceren klonten dril, waarvan dat van de bruine blijft drijven en dat van de groene dieper in het water ligt. De salamander legt haar kleine eitjes één voor één op blaadjes van waterplanten (vooral waterpest) die daarna worden omgevouwen. Na het afzetten verlaten de padden en de salamanders het water. Tot het volgende voorjaar zullen zij vooral op het land leven. De salamanders veranderen dan van kleur. In de paartijd, als ze nog in het water leven, hebben ze een relatief donkere rug en een gele buik met donkere stippen. De mannetjes zijn dan te herkennen aan de hoge kam op hun staart en rug en een meer oranje buik. De lichte onderzijde en de donkere rug maakt ze voor vijanden moeilijk zichtbaar, net als bij veel vissoorten. Wie op het wateroppervlak kijkt ziet namelijk een donkere diepte, terwijl vijanden die onder water omhoog kijken het daglicht zien. Eenmaal op het land verdwijnt de kam bij de mannetjes en de beide geslachten worden zandkleurig met een bruine tekening. Ook nu maakt de kleur ze minder opvallend voor vijanden (predators).

Al onze amfibieën worden geboren met uitwendige kieuwen die na verloop van tijd zullen verdwijnen. De larven van kikkers en padden lijken op elkaar en worden wel dikkopjes genoemd. In het eerste ontwikkelingsstadium vormen de kop en de romp een bolvormig geheel zonder pootjes met daaraan een staart die wat langer is dan het lichaam. Ze leven van algen en dood-materiaal. Salamanderlarven zijn slanker en worden geboren met voorpootjes.

Die pootjes hebben ze nodig om achter hun levende prooien aan te kunnen jagen. In de ontwikkelingsfases (metamorfosestadia) die volgen, krijgen de jonge kikkers en padden voor- en achterpootjes en verdwijnen de kieuwen en de staart. Bij de salamander verdwijnen eveneens de kieuwen, maar de staart blijft en ze krijgen alleen nog een stel achterpootjes, voorpootjes hadden ze immers al.

Omdat de zon ze kan oververhitten en uitdrogen, zijn de padden en de salamanders buiten het water vooral in de schemering en ’s nachts actief. Kikkers kunnen verkoeling in het water vinden en zitten daarom ook overdag rond de vijver. Een sproeibeurt in de avond lokt de padden nogal eens uit hun schuilplaatsen. Ze gaan dan opzoek naar slakken die door het sproeiwater ook actief zijn geworden.

Salamanders overwinteren achter loslatende boomschors, tussen boomwortels, onder stammetjes en stenen en in kelders of ondiepe waterputten. Padden kunnen in dat jaargetijde op dezelfde plaatsen worden aangetroffen, maar ze graven zich ook wel in de grond. Amfibieën bereiken in de vrije natuur redelijke leeftijden; gewone pad, bruine en groene kikker ca. 12 jaar en salamanders 8 jaar. Uitgaande van het gegeven dat de gewone pad, de groene kikker en de kleine watersalamander zeer honkvast zijn, kunnen ze dus vele jaren dezelfde vijver en verblijfplaatsen bewonen. Bruine kikkers leiden een meer zwervend bestaan in de directe omgeving van het water waar ze zijn geboren.

Salamanders worden nogal eens verward met hagedissen. Niet zo gek; globaal bezien hebben ze immers een zelfde lichaamsvorm. Maar hagedissen, die trouwens geen amfibieën maar reptielen zijn, hebben in tegenstelling tot salamanders een geschubde huid.

Voor alle inheemse amfibieën (in alle stadia van hun ontwikkeling) geldt dat ze bij wet beschermd zijn. De tuinliefhebber mag ze dan ook niet vangen, geen dril scheppen en ze zijn om die reden niet te koop in een tuincentrum of een dierenwinkel. Het vangen van volwassen dieren om ze uiteindelijk in de tuin los te laten heeft overigens geen zin. Ze zullen op zoek gaan naar hun vertrouwde leefomgeving en derhalve weer verdwijnen. Men zal daarom moeten wachten tot ze op eigen kracht vanuit een nabij gelegen vijver naar de tuin komen.

Zijn er in het tuincentrum of de dierenwinkel wel amfibieën(larven) te koop, dan zal het om uitheemse soorten gaan.

Koop ze niet; mochten ze namelijk winterhard zijn, dan kan dat leiden tot faunavervalsing, zoals dat bij de brulkikker reeds is gebeurd. Deze soort eet alles wat in hun grote bek past, van insecten tot jonge watervogels. Ook onze inheemse amfibieën-soorten staan op zijn menukaart! Gelukkig is zijn verwildering door actief optreden van natuurbeheerders in de kiem gesmoord en derhalve geen onoplosbaar probleem geworden. In België is de soort helaas nog niet bestreden. Het gevaar bestaat dan ook dat ze van daaruit toch nog ons land in trekken.