Dendrobates auratus

Door: Roger Veltens, bewerking R. Hoofs
Bron: Maandblad van AV de Minor, Maastricht

Een van de geliefde gifkikkers voor beginnende liefhebbers is ongetwijfeld de Dendrobates auratus. Ze worden geregeld aangeboden in speciaalzaken en op beurzen en vallen meestal mee qua prijs.

In de natuur komt de kikker voor van Nicaragua, over Costa Rica en Panama tot in Noord Colombia. Er is eveneens een geïmporteerde populatie te vinden op Hawaï. Je kan ze aantreffen tot een hoogte van 1.450 meter. Ze houden zich op de bodem op tussen bladeren. Sommige populaties vindt men dicht aan het strand of in de omgeving van waterloopjes tussen de keien. Afhankelijk van de vindplaats wijkt hun kleurpatroon steeds af van de grondvorm. De meest bekende kleurvorm is de groene met grote zwarte vlekken.

Bij alle populaties treffen we kleine verschillen in de groene kleur aan: deze gaat van heldergroen, over blauwgroen tot blauw. Bij de variëteit van het eiland Taboga bijvoorbeeld, gelegen in de Pacific op een 20-tal kilometer ten zuiden van Panama City is de groene kleur zelfs vervangen door goudgeel. De vlekken variëren eveneens van zwart over brons naar bruin. Deze vlekken kunnen soms de groene kleur bijna volledig terugdringen tot een aantal kleine vlekken of banden. Zo treffen we in het centrum van Panama City op Ancon Hill een variëteit aan die eigenlijk chocoladebruin is met kleine groene stippen of banden.

De blauwe kleurvarianten treft men alleen in Panama aan en zijn zeer moeilijk te spotten. En dit geldt ook voor het terrarium. De blauwe varianten ogen zeer mooi in hun verkooppotje, maar als ze in een goed ingericht terrarium zitten, zal je ze nog zelden te zien krijgen. De diertjes zijn zo'n 25 tot 40 mm groot met uitzonderingen tot 55 mm. Ze voeden zich in de natuur met termieten en mieren die ze tussen het dikke bladerdek vinden.

De mannetjes dragen zorg voor de eitjes die op een bromeliablad zijn afgezet. Als de larfjes uit de kikkerdril kruipen, dragen de mannetjes de larfjes op hun rug naar kleine poeltjes, holletjes in bomen of een bladoksel waarin water blijft staan.

Je verzorgt deze soort op zijn best in een oerwoud-terrarium van minimaal 40 x 40 x 40 cm. In zo'n bak kan je 4 à 5 kikkertjes onderbrengen. Omdat de dieren een hoge luchtvochtigheid vereisen, moet je de bak regelmatig sproeien. Je kan de dieren voeren met fruitvliegjes en andere kleine insecten, zoals springstaartjes, erwtenluis en zilvervisjes. Bij goede verzorging en uiteraard een goed kweekstel zullen de dieren al snel tot voortplanting overgaan.

In het terrarium worden de eitjes afgezet op een glad oppervlak: een bromeliablad, een Petri schaaltje onder een halve kokosnoot of een horizontaal geplaatst filmkokertje waarin geen water staat. Na een tweetal weken komen de eitjes uit en brengt het mannetje de larfjes naar het water. Hier kan je ze best uitscheppen en in aparte bakjes opkweken. Droogvoer voor vissen, watervlooien en Cyclops worden al gretig door de larfjes verorberd. Na een 2 à 4 maanden groeit uit de larve een kikkertje dat onmiddellijk springstaartjes en kleine fruitvliegjes kan eten. Na een 8- tal maanden zijn de jonge kikkertjes geslachtsrijp en kunnen ze zelf voor nakomelingen zorgen.

Door de vele kleurvariëteiten is het voor mij een kikkertje waar je nooit op uitgekeken raakt.