Brachygobius Nunus

Bron: Maandblad van Natuurvrienden, Zwolle

De Brachygobius nunus heet tegenwoordig Brachygobius doriae en de Nederlandse naam is geelbandgrondeltje of bijtje. Het geelbandgrondeltje is een rustig visje dat afkomstig is uit India, Malakka, Birma, Thailand, Borneo en Java. Het kan zonder gewetensbezwaar in een gezelschapsaquarium met een niet te drukke bevolking worden gehouden en past bijvoorbeeld uitstekend bij de kegelvlekbarbeel. Persoonlijk zou ik ze liever houden in een eigen speciaalaquarium van bijvoorbeeld 80 x 40 x 40 cm in gezelschap van het bekende rijstvisje, het halfsnavelbekje en de knorrende goerami.

In een dergelijk aquarium kunt u in de eerste plaats rekening houden met de watereisen, want in de natuur komt het geelbandgrondeltje voor in hard water. Door de invloed van de getijden soms zelfs brak water. Zo extreem hoeft het water in het aquarium niet te zijn. U kunt volstaan met het eventuele toevoegen van wat zeezout. Een afgestreken eetlepel per 50 liter water is voldoende en schaadt de planten niet. De temperatuur van het water kan schommelen tussen 22 en 27 graden Celsius.

We kiezen de plaats van de bak zodanig, dat een deel van de dag de zon er in schijnt. Dit heeft bepaalde nadelen, zoals de vorming van ongewenste algen, maar uw geelbandgrondels stellen het erg op prijs. In de bak moeten hier en daar wat stenen staan. Daarvoor nemen we stukken flagstone, die zo geplaatst worden, dat er overhangende partijen ontstaan. De bodem dekken we donker af, bij voorkeur met basaltsplit.

Als voedsel geven we de geelbandgrondeltjes levend spul, zoals rode muggenlarven, watervlooien, matig tubifex, enchytraeeën en dergelijke. Op bovengenoemde wijze gehouden, kleuren ze diep goudgeel en zwart. Houdt u ze daarentegen in zacht water, dan verdwijnt het intensieve van de gele kleur en worden deze banden min of meer doorzichtig, soms zo sterk dat u de zwemblaas in het lichaam kunt zien liggen.

Het geslachtsonderscheid bij deze visjes is niet eenvoudig. De vrouwtjes zijn in de regel wat groter dan de mannetjes. De zwarte vlek die op de foto tussen de tweede en de derde band te zien is, is géén geslachtskenmerk, want ze kan zowel bij mannen als vrouwen voorkomen.

Wanneer u een kweekpoging met het geelbandgrondeltje wilt wagen, moet u uitgaan van een vrij groot aantal dieren, want stelvorming speelt een grote rol. Het hebben van een goed paar geelbandgrondeltjes is een kwestie van geluk. Heeft zich echter een paar gevormd, weest u er dan zuinig op. Gaat één van de twee partners dood, dan accepteert de overgeblevene vaak geen andere partij meer. Als u deze vissen bij elkaar houdt vormen ze ieder een eigen gebiedje, dat ze tegen soortgenoten verdedigen. Paarvorming herkent men aan het niet verjagen van de andere vis.

De eieren worden op een donkere plaats afgezet. Dat kan onder of bovenop een steen zijn, als deze maar overschaduwd is door planten. De eieren zijn vrij groot, peervormig en hebben een witte kern. Ze worden door het mannetje bewaakt en komen bij een gemiddelde temperatuur van 25o C tussen de acht en veertien dagen na het afzetten uit. De jongen zwemmen vlak onder het wateroppervlak en eten Cyclopsnaupliën.