De Bijlzalm

Door: Karel Fondu, De Siervis Leuven, Bron: Leeri Nieuws

De meeste door ons gehouden zalmen treffen we aan in de middelste waterlagen. Willen we ons aquarium gelijkmatig met vissoorten bevolken, dienen we ook de bovenste zone te stofferen. Een visje, dat zich hiertoe uitstekend leent, is de bijlzalm. Als je voor deze elegante vis opteert, kun je kiezen voor de grotere, zilverkleurige van het geslacht Gasteropelecus en Thoracocharax of voor de kleinere, gemarmerde van het geslacht Carnegiella. Bijlzalmen leven niet alleen in het Amazone-gebied en Guyana, maar ook in Suriname en Peru. Ze bevolken er zowel moerassen, ondergelopen gebieden, sloten en beken, als kleine en grote langzaam stromende rivieren. Daar leven ze net onder de waterspiegel. De zilveren exemplaren worden gevangen in open water, waar ze door hun vorm en kleur van bovenaf weinig opvallen. De gemarmerde daarentegen verschuilen zich bij voorkeur tussen moeras- en waterplanten.

Bijlzalmen hebben een merkwaardig uitgegroeide buik, die de vorm heeft van een bijl en die naar onder toe messcherp versmalt. Mede door dit scherpe profiel en door de fors ontwikkelde en lang uitgegroeide borstvinnen kunnen zij glijvluchten van meerdere meters over het water maken. Zo kunnen ze niet alleen ontsnappen aan eventuele belagers, maar kunnen ze ook zelf jacht maken op over het water scherende insecten. Het spreekt vanzelf dat een aquarium, waarin je deze visjes huisvest, volledig afgedicht moet worden met dekruiten of met een raam bespannen met vliegengaas. Als je dit niet doet zal je ze, vroeg of laat, als mummietjes achter je bak of in je lichtkap terugvinden.

De gewone bijlzalm (Gasteropelecus sternicla) op de foto boven is vrij groot, robuust en sterk. Hij meet om en nabij de 7 cm. Zijn rug is olijfgroen. Een grijs-zwart lijntje vertrekt van iets achter de kieuwen en loopt door tot in de staartwortel.

De buik is staal blank en vanaf de aarsvin afgeboord met een flauw zwart biesje. Het grote zwarte oog is omgeven door een flonkerend gele iris. De mondopening is bovenstandig en stelt hem in staat om insecten aan het wateroppervlak te verschalken. De Gasteropelecus sternicla bewoont open water en is door zijn onopvallende kleur uitstekend aangepast aan een biotoop met weinig of geen planten. Bij een temperatuur van 25 graden Celsius en een pH van 7 zal hij goed gedijen. Het is duidelijk dat je een schooltje van deze visjes in een ruim aquarium onderbrengt, waarin ze hun zwemkunsten naar hartenlust kunnen botvieren. Zoals reeds eerder gezegd zijn deze vissen verzot op insecten. Een fruitvliegenkweek is dus aangewezen, maar ook bladluizen en mieren worden door hen zeer op prijs gesteld. Ook drooggevroren artemia behoort tot hun favoriete voedsel. In perioden van schaarste eten ze zelfs droogvoer, zij het met minder enthousiasme. Voedsel dat naar de bodem zinkt, is voor deze bijlzalm, met zijn bovenstandige mond, ongrijpbaar.

Andere af en toe geïmporteerde soorten zijn Gasteropelecus levis (6 cm), die een donkere dwarsband heeft op de staartwortel en Gasteropelecus maculatus, die voorkomt van West-Columbia tot Panama. Hij wordt 9 cm groot en onderscheidt zich van de vorige soorten door donkere vlekken op het lichaam, die min of meer als dwarsbanden zijn gerangschikt. Voor de rest lijken ze, inzake lichaamsbouw en kleur, zeer sterk op Gasteropelecus sternicla. Zeer zelden worden bijlzalmen uit het geslacht Thoracocharax in de handel gebracht. Ook zij stammen uit het stroomgebied van de Amazone en bewonen dezelfde biotopen als de eerder genoemde Gasteropelecussoorten.

De Thoracocharax securis (diamantbijlzalm), op bovenstaande foto, wordt 9 cm groot. Bij hem is de lengtestreep blauw iriserend en verbreedt zij zich naar het midden toe.

De Thoracocharax stellatus (discusbijlzalm) bereikt een lengte van 7 cm en heeft iets minder sterk ontwikkelde borstvinnen. Deze beide soorten zijn zeer schuw en schrikachtig en dienen dus, zeker in het begin, met de nodige voorzichtigheid behandeld te worden. Ze kunnen alleen in gezelschap van rustige vissen gehouden worden, die de onderste waterlagen bevolken.

De gemarmerde bijlzalm (Carnegiella strigata) op de foto boven, is een stuk kleiner dan zijn zilveren neefjes en wordt slechts 5 cm groot. Hij komt uit de woudkreekjes van het benedengedeelte van het Amazone-stroomgebied en werd al in 1912 in Europa ingevoerd. Hij verlangt een aquarium met veel fijn bladige planten, kristalhelder water, een donkere bodem en een temperatuur, die mag oplopen tot 30 graden Celsius. Bij een matige belichting legt hij zijn aangeboren schuwheid vrij vlug af. In tegenstelling tot de gewone bijlzalm houdt de gemarmerde zich meer tussen de planten op en is hij niet zo een uitgesproken oppervlaktevis.

Dit fenomeen vertaalt zich ook in het voeren. De strigata eet naast watervlooien ook muggenlarven en enchytreeën, die hij ondanks de moeilijkheden die hij daarbij door zijn lichaamsbouw ondervindt, van de bodem kan oppikken. Ook droogvoer wordt vlot gegeten. Hij verkiest wel iets zachter water en een pH van 6 is dan ook aangewezen.

De Carnegiella strigata is een sierlijke verschijning. Zijn grondkleur is bruin tot goudachtig. De rug is olijfgroen en bedekt met zwarte stippen van ongelijke grootte. De flanken vertonen een rood-bruine tot lila-achtige vlekkentekening. Iets achter het kieuwdeksel vertrekt er een donker streepje tot in de staartwortel. Daarboven en evenwijdig ermee loopt een gouden lijntje, dat eventjes in de staartlobben doorloopt. Vanuit de bijlachtige buik vertrekken enkele onregelmatige, bruinzwarte vegen richting staart en rug. De vinnen hebben een groenachtige weerschijn.

Deze soort zou, in tegenstelling tot de vorige, reeds na gekweekt zijn. Een betrouwbaar kweekverslag heb ik hieromtrent nog nooit onder ogen gekregen. Tussen wat denkelijk mannetjes zijn worden er, naar het schijnt, wel eens spiegelgevechten waargenomen, maar deze monden nooit uit in verwondingen.

Zowel de zilveren als de gemarmerde bijlzalmen zijn alleen al door hun bizarre vorm uitermate decoratief. Dit is waarschijnlijk ook de reden van hun blijvende populariteit. Wanneer je ze samenhoudt met andere rustige vissen, die de resterende waterlagen bevolken, zal je aan deze vissen veel plezier beleven en zullen ze aan je aquarium een eigen dimensie geven.

Let er vooral op dat de temperatuur niet te laag wordt, want dan bestaat de kans dat de visjes belaagd worden door witte stip, die dan uit medisch oogpunt enige mate van strakke doortastendheid vereist, als je voelt wat ik bedoel.