Levend voer, een lust voor uw vissen

Door: Will Huygen
Bron: Maandblad van De Paradijsvis, Alblasserdam

De regel bij het voeren moet zijn: met mate en dan zo gevarieerd mogelijk. Zorg er voor dat direct na het voeren alles op is. Want door overvoeren, wordt als gevolg van rotting, dikwijls aanzienlijke schade aangericht. Een goed voorbeeld hiervan is een deken van verbleekt droogvoer op de bodem.

Regelmatig voeren is een must, maar overdaad schaadt. Tegenwoordig beschikken we over prima droogvoeders, deze kunnen levend voedsel nooit vervangen. In het wild leeft vis op een zeer gevarieerd menu waarvoor ze de gehele dag in de weer zijn. Hun gehele organisme is daarop ingesteld, ook wij kunnen niet voor langere periode op één en het zelfde dieet leven Gebruik dus het droogvoer als een soort noodrantsoen en voeder zo mogelijk met gevarieerd levend voedsel dat dikwijls in de handel te koop is.

Één van de bekendste soorten is de watervlo, ofwel Daphnia pulex. Hij danst met twee zijwaarts ingeplante roeipootjes in het water rond en heeft eigenlijk met een vlo niets te maken. Vervoer vanaf de vangplaats in kleine hoeveelheden in ruim water voorkomt veel sterfte onderweg. Voeder snel na aankomst en uw vissen worden rondom gelukkig. Het is even wat werk, want vangplekken zijn tegenwoordig in de nabijheid sporadisch te vinden.

Je kunt de Daphnia ook vrij eenvoudig zelf kweken. Door een regenton of middelgrote vijver (uiteraard zonder vis) te vullen met regenwater en te bemesten met wat plantenafval. Laat zonlicht zijn werk doen en er ontstaan groene algen. Door wat watervlooien toe te voegen ontstaat al gauw gezinsuitbreiding die ons in staat stelt regelmatig te scheppen. Houdt de hoeveelheid infusoriën op peil door regelmatig bij te mesten met bijvoorbeeld wat paardenmest of runderenbloed. Voorkom hierbij verrotting van het water.

Een andere delicatesse voor uw levende have zijn de rode muggenlarven. De wormpjes zijn dagenlang in leven te houden door ze in een vochtige krant op een koele plaats te bewaren. Regelmatig kleine hoeveelheden voeren en uw visbestand komt in vorm. Voorkom dat ze zich gaan verpoppen, de poppen worden door de vissen graag gegeten, maar uit poppen ontstaan muggen die we niet in huis willen hebben denk ik. De muggenlarven zijn voor de vis zeer aantrekkelijk en blijven maar kort rondzwemmen. Exemplaren die niet meteen worden opgegeten zakken naar de bodem en zullen zich daar ingraven, net als Tubifex.

Witte muggenlarven daarentegen blijven met typisch kronkelende bewegingen rondzwemmen totdat ze allemaal zijn opgegeten.

Eveneens tot een zeer aantrekkelijk deel van het levensmiddelenpakket behoort ook de zogenaamde beekslingerworm, ofwel Tubifex rivulorum. Deze kleine rode draadwormpjes kunnen gemakkelijk in leven worden gehouden door ze op een bord onder een druppelende kraan te bewaren. Ze vormen dan bolletjes waaruit de achtereinden wriemelend omhoog steken. Neem er dagelijks een kluitje af en voeder gedoseerd, zodat ze niet in het stromende water worden meegevoerd. Bewaar Tubifex niet te lang, ze kunnen dan geen voedsel meer opnemen waardoor hun voedingswaarde volledig verdwijnt. Enige vindingrijkheid bij de menu samenstelling is welkom.

Als we tijdens een wandeling in de vrije natuur een tak of blad vinden die vol bladluis zit, neem die dan mee naar huis en dompel hem in de bak. Uw vissen zullen u zeer dankbaar zijn. Het is duidelijk dat kleine vissen kleinere voedseldieren nodig hebben dan grote vissen. Voor deze laatste groep zijn regenwormen een geweldig lekkernij.

De kleine waterkreeftjes, waaronder Cyclops en Bosmina komen ook voor op het menu van onze zwemmende fauna. De Cyclops zijn in het voorjaar en zomer vrijwel in alle sloten en plasden te vangen. Gebruik hiervoor een fijnmazig net en laat uw vangst, alvorens te voeren eerst enige tijd in ruim leidingwater rond zwemmen.

In de natuur beschikken vissen over een zeer gevarieerde menukaart, maar deze is niet altijd rijkelijk voorzien. We doen onze vissen dan ook geen dienst door ze ruim en dikwijls te voeren. Ze moeten dus eigenlijk altijd hongerig zijn en een gretig gedrag vertonen, natuurlijk zonder daarbij te verhongeren. Eén keer per dag voeren is het devies, met een hoeveelheid die ze in maximaal een half uur aankunnen.

Het werkt gunstig één maal per week niets te voeren. Slechts zelden grijpen we naar de bus met droogvoer. Achterblijvend voedsel wijst op overvoeren wat direct moet worden weg geheveld, zoals al eerder gezegd. Er blijft voor de slakken altijd nog genoeg over. Bij overdadig voeren is het ontstaan van vetzucht overigens niet ondenkbeeldig.

Probeer zo veel mogelijk levend voer te geven en uw vissen zijn gelukkig.