Elassoma okefenokee

Door: Karel Fundu
Bron: KAV De Siervis, Leuven en Danio Rerio Delft

Vaak vragen mensen mij, welke soort ‘tropische visjes’ je kan houden bij kamertemperatuur. Dit lijkt op zichzelf geen moeilijke opgave, je denkt dan meteen aan Guppen, Plaatjes, Zwaarddragers en Chinese danio’s. Ook de Macropodus komt in aanmerking maar hij is, door zijn rotkarakter, niet de gezelschapsvis bij uitstek. Wat wij hierbij uit het oog verliezen is, dat er op aarde nog een gigantisch gebied ligt, waar de watertemperatuur niet hoger stijgt dan onze kamertemperatuur en waar talloze visjes voorkomen, die het in een onverwarmd aquarium uitstekend doen. R. GuIner beschreef de Everglades, een enorm moeras, dat zich uitstrekt vanaf het Zuidoosten van Georgia tot in het Noordoosten van Florida. Dit gebied kan dus ook een paar geschikte soorten opleveren die in een aquarium op kamertemperatuur kunnen worden gehouden.

In Georgia wordt dit moeras gevoed door de grote Altamaha rivier. Verder wordt het bevloeid door de Ocmulgo, de Ocones en de Ohoopee en groeit zo uit tot een immens stroomgebied dat 4.500.000 liter water per seconde in de Atlantische Oceaan stort. Het is het leefgebied van talloze salamandersoorten, vissen, slangen, schildpadden en kaaimannen. De watertemperatuur schommelt er permanent rond 20 graden Celsius. Het Okefenoken moeras ligt ten zuiden van de Altamaha rivier. Het landschap is begroeid met pijnbomen en dennen. Hier leeft, naast de Jordanella floridae, de Elassoma okefenokee. Hij is de mooiste van de zes beschreven dwergbaarsjes van het geslacht Elassoma. Het dominerende mannetje is gitzwart en blijft dat gedurende de hele paartijd.

De soorten die behoren tot de Elassoma familie, onderscheiden zich vooral door hun blauw glanzende kleur en door de blauwzilveren, loodrecht iriserende schubbenrijen op hun flanken. Het grote oog heeft een geel en rood iriserende iris.

Als vindgebieden van dit visje wordt in het westen van Florida de Choctawashee rivier genoemd die in de Golf van Mexico uitmondt.

Hier moet nader wetenschappelijk onderzoek uitwijzen of deze populatie een eigen soort is. In het westen van Florida wordt ook nog de Hillsboroug-rivier genoemd als vindplaats van onze Elassoma okefenokee.

Om de visjes te vangen heb je een net nodig, dat stevig genoeg is om het door de waterplanten te trekken en het soms zelfs over de boden te laten slepen, want bij de minste verstoring van de rust verstopt het Dwergzwartbaarsje zich tussen de Sagittaria-, de Ludwigia- en Utriculariasoorten en het Nixkruid. Het water is bovendien donkerbruin gekleurd, wat het vangen niet vergemakkelijkt. Na meting bleek het water een hardheid te hebben van 9 KH en een pH-waarde van 6,5.

Geslachtsrijpe mannetjes vertonen een diepzwarte lichaamskleur. De onpare vinnen zijn afgeboord met een neonblauwe band, die zich parallel met de vorm van de vin heeft gevormd. Zelfs de buikvinnen zijn blauw. Andere kleuren zijn niet waar te nemen. De vrouwtjes moeten zich tevreden stellen met een lichtbruin verflaagje, dat bijna doorzichtig schijnt. Ze zijn in de regel kleiner dan de mannetjes en hebben een door kuit dik aangezet buikje. Als men goed kijkt, ziet men dat de rug- en aarsvin van het mannetje ietsje groter is dan bij het vrouwtje. Ondergeschikte mannetjes kleuren vaak zoals de vrouwtjes. Ze willen absoluut niet opvallen. Hun onderdanige kleur geeft hen de kans om soms ongemerkt, maar vlug te paren met een wijfje, bij wie ze de kans krijgen.

De mannetjes delen de bak op in domeinen. In hun domein vertonen ze, zeker als er een vrouwtje voorbij ‘wandelt’, hun mooiste kleuren. Met opvallend vooruit en achteruit zwemmen en het tegelijkertijd bewegen van de vinnen van links naar rechts, proberen ze de aandacht van het vrouwtje te trekken. Mooi is het ook wanneer ze met hun buikvinnen net kleine pasjes maken en zo het vrouwtje proberen in de struiken te lokken. Zij kan echter dagenlang weerstand bieden aan de verleiding. Het baltsgedrag wordt steeds opnieuw door imponeergedrag van de mannetjes onderbroken. De sterkste kerels vind je meestal aan de domeingrenzen. Hier stellen ze zich in kop-op-staart- of kop-aan-kop-houding op en proberen de tegenstander door het spreiden van de vinnen schrik aan te jagen. Wanneer de grootdoenerij niets uithaalt fladderen de mannetjes op elkaar af. Bij even sterke exemplaren gebeurt dit meermalen per dag en kunnen korte beten de intensiteit nog opvoeren. Als er eentje bang wordt of vermoeid raakt, verlaat hij het slagveld en laat zijn kleur onmiddellijk verbleken. In hun “vrouwenkleren””worden ze niet meer verdreven of aangevallen.

Ze doen niet aan directe broedzorg, maar vergrijpen zich ook niet aan hun kroost. Omdat het mannetje standvastig aan zijn domein is gehecht, kunnen de opgroeiende jongen zich in dit gebied vrijelijk bewegen. Om te kweken gebruikt men een bakje van 20 liter. Hierin komt een laagje zand van 2 cm. Met enkele stukjes wortelhout en granietstenen worden er domeingrenzen uitgezet. Belangrijk is een dichte beplanting en gefilterd regenwater. Dat vertoont grote gelijkenis met het water waarin het visje wordt gevangen. Het water wordt op 24 graden Celsius gebracht. In een kweekbakje belanden twee mannetjes en drie wijfjes. Onder optimale omstandigheden wordt binnen een week afgezet. Wanneer het vrouwtje geen dikke buik meer vertoont, weet men dat ze heeft afgezet. Het nest bevindt zich meestal in een dicht plantenbos in het bovenste deel van het aquarium. De eitjes zijn bijna doorzichtig en klein. Omdat het vrouwtje er ongeveer 50 tegelijk afzet, vindt men de losse afzetballen vrij gemakkelijk. De oudere dieren laten de eitjes met rust en twee of drie dagen later komt het jongbroed uit. Ze hangen aan de planten of aan de ruiten. Vrij vlug proberen ze lucht te happen en het wateroppervlak te bereiken. Het is net of ze zich in de hoogte schroeven. Meestal lukt dit de eerste keer niet en vallen ze terug op de bodem. U kunt de ouderdieren ongeveer drie weken bij het jongbroed laten. Na drie weken vang je de ouderdieren uit het bakje en zet ze in een tweede kweekbak.

De nakweek kan nu rustig opgroeien. De drie weken oude jongen zijn nu zo groot, dat ze nieuw uitgekomen jongbroed als buit zouden kunnen gaan beschouwen. In het eerste bakje kunnen de grotere jongen zich ontwikkelen zonder kannibalisme te plegen. Zodra de visjes vrij rondzwemmen, dienen ze een flinke portie infusoriën toegediend te krijgen. Meestal voldoen de eencelligen, die zich reeds in het aquarium hebben gevormd. Zodra de jonge visjes 5 mm hebben bereikt, jagen ze op pas uitgekomen naupliën van artemia. Vanaf dan groeien ze zeer sterk. Bij deze kweekmethode heeft men steeds jonge visjes in verschillende ontwikkelingsstadia zitten. Ze zijn uiterst geschikt voor kleine aquaria. Men hoeft geen grote technische middelen in te schakelen en de visjes zijn ook redelijk sterk. Het grote probleem vormt de voeding. Ze weigeren namelijk droge voeding. Ze eten alleen zoöplankton en wormen. Je kan hen voeren met watervlooien, cyclops, muggenlarven, tubifex, enchytreeën, grindalwormpjes en azijnaaltjes. Graag eten ze ook artemia naupliën. Ze leren wel diepvriesvoer te eten. Levend voer pakken de visjes door een zijwaartse knip met de kop.